Reactie van deelnemers (clinic's)
Na lopen is het goed rusten... op een ligfiets
"Als het enigszins kan kun je beter een fiets kopen waarmee je met je benen moet trappen dan een handbike. De reden is dat het beter is voor je hart. Door het bewegen van je been pompt je hart het bloed helemaal door tot aan je tenen. Bij gebruik van je armen gebruikt je hart slechts 30 procent van de capaciteit." Dat zegt fietsenaanpasser Willem Kamps.
|
P LAATS VAN ACTIE is Stadskanaal waar op 4, 5 en 6 juli de Nelli Cooman Games plaatsvinden. De Nelli Cooman Games is een weekeinde waarin (top)atletiek gecombineerd wordt met vermaak Op zondag vinden er speciale ‘clinics’ (oefeningen) plaats voor geamputeerden, namelijk om beter te lopen en om fietsen eens uit te proberen.Het duurt ruim drie uur voor ik vanaf mijn huisadres in Stadskanaal gearriveerd ben. Omdat ik dus net op tijd ben, of eigenlijk net te laat, kan ik slechts de laatste woorden van Nelli Cooman horen die alle geamputeerden veel succes toewenst met de clinics. Daarna trekt een groepje van een stuk of dertig mensen over het veld waar Frans Dik, bondscoach voor atleten met een beperking, samen met atleten deelnemers beter leert lopen. Dik: "Eigenlijk worden er veel te weinig van dit soort oefeningen gegeven. Mensen leren wel lopen tijdens de revalidatie, maar daarna is het over. Maar het zakt in, of mensen leren verkeerd lopen aan. Het is zó belangrijk, juist voor geamputeerden, om goed te lopen. Doe je het niet kan je rugklachten krijgen, of last van je knie. Eigenlijk zouden geamputeerden die het willen elke maand de gelegenheid moeten hebben om mee te doen aan zo’n clinic om even weer op te halen hoe ze het beste kunnen lopen." Een van de deelnemers, N. J. Deekens zegt dat dit ook precies de reden is dat hij graag mee doet met de looplessen. "Je leert bijvoorbeeld dat je je billen moet aanspannen. Dat is beter voor je rug. Tot een paar dagen na de lessen denk je daar wel aan, maar dan zakt het weer weg." Een andere tip van Dik: "Steun goed op de prothese. Gebruik die als een echt been. Ga er vol op staan, niet voorzichtig alleen met de hiel de grond aanraken en dan gauw weer op het echte been." Frank gebruikt in zijn lessen diverse trucs om de geamputeerden te dwingen om die bilspieren aan te spannen en goed te belasten. Bijvoorbeeld door ze te vragen tijdens het lopen de handen in de nek te laten zetten. "Dan gaat het bilspieren aanspannen automatisch." |
|
Omdat ik vooral ben gekomen om de fietsclinic te bekijken, die dit jaar voor
het eerst gehouden wordt, laat ik de lopers links liggen en stievel door
naar een parkeerplaats achter het veld, samen met nog een paar anderen. Daar
zitten Willem Kamps, Bert Jan Luimes en Richard Middelveldt. Ze zijn blij dat er
eindelijk volk is dat ze kunnen helpen want ze waren al om negen uur
gearriveerd. De clinics begonnen echter pas om elf uur, dus ze hebben zich twee
uur lang zitten te vervelen. Voor Middelveldt zou de middag saai blijven, want
hij had slechts gewone mountainbikes bij zich voor de heel sportieve
geamputeerden, maar niemand durfde zich daarop te wagen. Willem Kamps heeft meer
te doen. Een man, een vijftiger, die al twintig jaar niet meer gefietst heeft,
heeft het in zijn kop gekregen dat weer op te pakken. Hij heeft een
bovenbeen-prothese en een stijve heup en vraagt hoe hij nu zijn fiets aan moet
passen om weer te gaan fietsen. "Dan moet u een verkorte crank nemen,"
legt de fietsaanpasser uit. "Maar zou u niet liever zoiets proberen,
dat is veel veiliger" en hij nodigt de man uit plaats te nemen op de
ligfiets. De man sputtert wat tegen, want wil het leren op een ‘gewone’
fiets; "ik weet zeker dat ik wel op het goede been terechtkom als ik moet
remmen, dus ik ben niet bang te vallen met een gewone fiets" maar probeert
het toch. Hij neemt plaats en de trapper wordt omgezet. Een zetje en hij rijdt
weg.
"Die komt terug"
20 jaar niet gefietst
"Goh, twintig jaar niet gefietst," zegt Willem Kamps tegen Bert Jan
Luimes. Na twee rondjes komt de fietser terug, tevreden omdat hij met de
prothese geen problemen heeft de slag van de fiets te maken. "Dit is
toch net zo’n crank als ik op een gewone fiets kan zetten," vraagt hij.
Willem bevestigt dat. "Ja hoor, dat is ongeveer hetzelfde." "Mooi
zo,"zegt hij, nog niet overtuigd van de voordelen van een ligfiets. "Mwwwah,
die zie ik er misschien toch nog weleens een kopen," zegt Kamps. "Het
beviel hem toch wel, misschien moet hij even wennen aan het idee, maar dat soort
types zie ik vaak terug."
Willem Kamps is eigenaar van de USVA, spreek uit oesva. Bert Jan Luimes is
medewerker bij zijn bedrijf. De USVA is een Fins natuurverschijnsel. Een
laaghangende mist boven het water, maar daarboven is alles kraakhelder. Willem:
"In de wereld van de revalidatie zijn dingen vaak een beetje mistig. Wij
van USVA willen helderheid in die mist brengen door met oplossingen te komen,
bijvoorbeeld door goed aangepaste fietsen." Volgens de fiets-aanpassingen
expert heeft iedere geamputeerde recht op vergoeding van de fiets die zij maken.
Maar niet iedere geamputeerde is daarvan overtuigd. Bij Niels Westerweel is de
vergoeding al eens afgewezen. "De gemeente (die via de Wet Voorziening
Gehandicapten de fiets moet vergoeden) vraagt of je een auto hebt. Als je ‘ja’antwoordt
stellen ze dat je dus al een vervoersvoorziening hebt en er geen recht op hebt,
ook al heb je je auto zelf betaald." Westerweel informeerde daarop of hij
de fiets niet als sportvoorziening kon aanvragen. "Dat kon, maar dan moest
je weer lid worden van een tourfietsvereniging." De USVA heeft hier wel een
oplossing voor. "We hebben een club, daarvan kan je voor 45 euro lid worden
per jaar. En je hoeft natuurlijk niet mee te gaan met die tourtochten, al zijn
ze wel leuk."
Westerweel heeft een amputatie door de knie ondergaan en wil graag de ligfiets
proberen. Aldus geschiedt. En hij is enthousiast. "Ja, het bevalt mij wel.
Ik denk dat ik toch opnieuw maar een aanvraag ga indienen bij de gemeente."
Als de fietsclinic al is afgelopen zien we Westerweel opnieuw enthousiast
rondjes draaien op een ligfiets. Dit keer een sportligfiets. "Maar de
andere beviel me beter."
Het was de bedoeling dat na een uur de fietsers zouden ruilen met de lopers, zodat iedere geamputeerde aan twee clinics kan deelnemen, maar tot mijn grote teleurstelling blaast de organisatie dit idee af omdat er te weinig deelnemers zijn voor een tweede loopclinic. Duidelijk is dat de groepen niet goed zijn verdeeld: dertig lopers tegen vijf fietsers. Volgend jaar beter. Kamps en Luimes krijgen het nu druk omdat alle lopers ook wel willen fietsen. Maar het aantal fietsen is beperkt en, belangrijker nog, USVA heeft maar twee mensen die cranks kunnen omwisselen. Nu ik niet kan deelnemen aan een loopclinic besluit ik ook maar eens zo’n ligfiets te proberen. Voorzichtig ga ik erop zitten. Willem hijst mijn voet erop en maant mij te gaan liggen. "Je zit nog veel te rechtop." Het komt mij onnatuurlijk over, liggen op een fiets. Kan je dan wel goed over je schouders achter je kijken, is dat niet gevaarlijk? Maar ik rijd. Het sturen en schakelen is een eitje en de fiets voelt veilig aan. Omdat ik een hemipelvectomie heb en dus helemaal geen stomp heb heeft het been 0 procent functie. Ik heb daardoor last van een dood punt op de fiets waardoor het trappen met mijn enige echte been mij zwaar valt. "Maar als je zo’n fiets zou kopen, dan zouden we hem helemaal voor je aanpassen en dan wordt ook dat geregeld," verzekert Kamps mij. Voorlopig rijd ik toch mijn eigen fiets, een gewone tweewieler met een verkorte crank, op. Daarna zien we wel.
Kan het OIM heksen?
Na het fietsproberen lopen we weer naar binnen waar coördinator Hans
Leutscher afscheid van ons neemt en het OIM (Orthopedische Instrument Makerij)
ons van een verrassingspakket voorziet. Erin zitten diverse folders van de firma
Van Raam uit Aalten. Wegens een bruiloft kon de fietsfabrikant niet aanwezig
zijn. Volgend jaar hoopt hij het goed te maken en het zou leuk zijn als we dan
die mooie ‘double rider’ een hele mooie fiets waar twee mensen naast elkaar
kunnen fietsen eens kunnen uitproberen. En er zit een potlood in met een heksje
als dop: kan het OIM heksen?
Dan loop ik even de braderie over waar Henk Prins voor 4 euro mensen achterop
neemt om geld in te zamelen voor de gehandicaptensport. Verder is er het
gebruikelijke braderie-spul te koop, met opvallend veel walmende worsten.
Om half drie ga ik over de railing hangen om mijn ‘collega’s’ te bekijken.
De categorie ‘Atleten met een beperking’ (waarvan slechts een niet
been-geamputeerd) gaat de honderd meter lopen. Naast mij staat een jongetje
geboeid naar de springveren onder de atleten te kijken. "Ja, dat wil ik
zien, dat is grappig," zegt hij tegen zijn moeder. Zij corrigeert hem:
"Dat is helemaal niet grappig, die mensen hebben geen been meer."
Alsof ‘wij’ zo zielig zijn.
We moeten nog geruime tijd wachten voor de atleten mogen starten. Eerst flitsen
de niet-gehandicapten voorbij. De atleten met een beperking zijn er maar bij
gaan zitten, maar dan mogen de trainingspakken uit. Vijf minuten later, in een
flits, is de actie weer over. Vergeleken bij de niet-beperkte atleten mogen ‘onze’
atleten er dan iets van 2 seconden langer over doen; ze rennen de 100 meter toch
maar in gemiddeld zo’n 16 seconden. En dat op een prothese. Een topprestatie!
Inmiddels is het gaan regenen in Oost-Groningen en het zal wel weer een uurtje duren voor de atleten met een beperking gaan verspringen. Ik besluit hier niet op te wachten en de zon op te zoeken, op naar Zandvoort, richting de kust. Maar ik kom terug, volgend jaar. Want ik moet die loopclinic nog doen!
Reportage
Ik zou nooit meer hardlopen, kreeg ik in het revalidatiecentrum te horen. Een aanrijding tussen een auto en mijn motor kostte me acht jaar geleden mijn linker onderbeen. Dit euvel zou verholpen worden met een prothese. Na vier maanden revalideren kon ik me daarmee voortbewegen, maar inderdaad niet harder dan stapvoets. Ik was 48 jaar. Op tv had ik wel eens de Paralympische Spelen gezien. Een benigen renden over de atletiekbaan, sprongen ver en hoog, maar de sporters waren allemaal jong en bovendien uitgerust met futuristisch ogende protheses waarvan de voet uit enorme flexibele bladen bestaat waarmee de deelnemers als een kangoeroe over de baan veerden. Ik was nooit een sporter geweest; dit was niet voor mij weggelegd. Vroeger rende ik alleen als ik een tram moest halen die op het punt van vertrekken stond. Ik moest ermee leren leven dat ik voortaan op de volgende tram zou moeten wachten.
Via het OIM (Orthopedische Instrumenten Makerij)
kreeg ik en paar maanden geleden een uitnodiging in de bus van voor de Nelli
Coomans Games. Op de atlelietbaan in Stadskanaal zouden behalve wedstrijden ook
amputee clinics, een soort workshops voor hardlopen worden gegeven onder leiding
van de assistent bondscoach van het
Nederlandse Paralympische team, Frank Dik. De groepen bestonden uit zo’n tien
man van verschillende leeftijden en geslacht. De eerste oefeningen bleken als
doel te hebben om het bovenlichaam tijdens het lopen onafhankelijk van het lopen
te bewegen. Daarna volgden loopoefeningen. Het had veel weg van Het Ministery Of
Funny Walks, de beroemde Monty Python sketch. Ik liep als een Russische soldaat
op parade, de benen hoog heffend om ze vervolgens met een klap op de vlakke voet
te laten neerkomen. Ik moest me een geheel nieuwe manier van lopen eigen maken.
Dat was voor de een gemakkelijker dan de ander. Na een uur zag ik een meisje dat
zich ook nooit sneller dan stapvoets had voortbewogen, al een aardige dribbel
inzette. Ik kwam die dag niet verder dan iets dat een beetje op snelwandelen
leek. Maar Frank Dik nodigde me uit
voor de trainingen die hij verzorgt voor het Paralympische team op een
atletiekbaan in Noord-Holland. Drie maanden lang trainde ik daar wekelijks,
daarnaast oefende ik zelfstandig in het park.
In het revalidatiecentrum had ik leren lopen op de
manier waarop de mens zich voort beweegt: de voet landt op de hiel en wikkelt
zich vervolgens af naar de bal van de voet en de tenen. Daarbij staat het
lichaam altijd iets naar achteren. In de atletiek lopen sprinters op de voorvoet
en naar mate de afstand langer wordt is er een verplaatsing van het landingspunt
van de voet maar het bovenlichaam blijft rechtop. Het gevolg was dat ik al gauw
mijn spieren in beide benen voelde branden wat niet verwonderlijk was: ik
gebruikte immers spieren die ik jarenlang onbenut had gelaten. Na vier weken kon
ik al een aardige dribbel inzetten. Toen rees de vraag waarom ik, en met mij
vele andere geamputeerden nooit eerder waren gewezen op de mogelijkheid meer
rendement uit mijn prothese te halen.
Frank Dik heeft hierover wel een reden voor. ’Ik
gebruik de topsport als bron van kennis,’ vertelt hij. ‘Fysiotherapeuten en
revalidatie-artsen willen daar niet aan.’ Niet helemaal onterecht, volgens
hem. Het streven van fysiotherapie in een revalidatiecentrum is om de revalidant
binnen korte tijd een veilige manier van lopen aan te leren. Dan is er nog de
situatie van de revalidant zelf. In de eerste plaats moet deze zijn nieuwe
situatie verwerken en aanvaarden. Het aanleren van een basale manier van
voortbewegen is dan al een hele klus. Heeft hij die eenmaal onder de knie, dan
wordt hij naar huis gestuurd. Dan blijft de vraag waarom de revalidant er niet
op gewezen wordt dat er meer mogelijk is met een prothese.
Ik ga te rade bij een revalidatie-arts,
een fysiotherapeute en een medewerkster van de afdeling Maatschappelijke
Re-intergratie van het Revalidatiecentrum Amsterdam (RCA).
Ik schijn één van de weinige revalidanten geweest
te zijn die al in een vroeg stadium informeerde over de mogelijkheid te leren
rennen. Geen van hen was ooit geconfronteerd met die vraag. Alleen de
fysiotherapeute kan zich herinneren dat ooit een collega met een revalidant
geoefend had met het trekken van een sprint. Revalidatie-arts van het RCA, dr.
Wiggers legt uit dat men bij revalideren andere uitgangspunten hanteert. ‘Bij
sport werkt men met snelheid, kracht en conditie. Wij gaan uit van de
vaardigheden en beperkingen. Daarmee leren we de revalidant weer lopen,
traplopen en dat op de veiligste en meest stabiele manier: niet snel, wel
veilig. Mensen moeten weer zo snel mogelijk de draad van het leven oppakken.’
De activiteiten van de coach zijn hem onbekend. Als ik hem de werkwijze en
tactiek uitleg, schudt hij zijn hoofd. ‘We stimuleren mensen altijd binnen het
RCA om te gaan sporten, we hebben er een speciale afdeling voor. Maar
bij de revalidatie gaat het om veiligheid
en stabiliteit. Die sportprotheses zijn al een heel stuk minder stabiel. Bij het
sprinten land je op je tenen en zet je je af op je tenen, wat ook minder veilig
is omdat je minder contact met de grond maakt. Dat is al een reden waarom we
niet voor die wijze van lopen zouden kiezen. Maar als de revalidant die manier
van lopen wil leren, zal die eerst de basisvaardigheden moeten beheersen. Dat is
de natuurlijke manier van lopen zoals wij die leren.’
Op de opleidingen Fysiotherapie is men niet bekend
met de mogelijkheid om revalidanten te leren rennen. Fysiotherapeute Erica
Verhoef studeerde tien jaar geleden af aan de opleiding aan de Hoge School
Amsterdam. ‘De opleiding besteedt beperkte aandacht aan het onderwerp lopen.
In een paar weken leer je het gangpatroon analyseren. Tachtig procent van de
studenten gaat in een particuliere praktijk werken, daar ligt het accent meer op
zaken als rugklachten.’ Ook zij is niet op de hoogte van de technieken die
zich binnen de sport ontwikkelen. ‘Maar ik ben blij te horen dat er voor de
revalidant meer mogelijkheden blijken te zijn,’ zegt ze.
Voor potentiële hardlopers die niet meteen
Paralympische ambities koesteren hebben Frank Dik en fysiotherapeut Hans van
Mourik de cursus ProMove, Sportief bewegen met een Prothese samengesteld. De
cursussen gaan vergezeld van een boekwerk waarin tal van aanwijzingen en
oefeningen staan. Ook trekt Dik met lezingen en cursussen door het land om meer
bekendheid te geven aan hun activiteiten. Dit in samenwerking met de Landelijke
Vereniging van Geamputeerden (LVvg) en Nederlandse Bond voor Aangepast Sporten
(NebasNsg). Geinteresseerden kunnen hun licht opsteken op onder meer de volgende
websites: www.nebasnsg.nl,
www.lvvg.nl,
www.prolathic.nl,
www.debenenemen.nl.
|
Sporten is belangrijk. Het zorgt ervoor dat je zowel geestelijk
als lichamelijk beter in je vel gaat zitten. Dat sporten ook voor
mindervaliden geen probleem hoeft te zijn, bewees de achttienjarige
Marije Smits in Athene, tijdens de Paralympics, de Olympische Spelen
voor mensen met een lichamelijke beperking. Frank Jol is als
orthopedisch instrumentmaker al jaren betrokken bij de sportieve
ontwikkelingen van Marije. Naast haar reguliere beenprothese, maakte hij
speciaal voor de Paralympics een verspringbeen. Maar hij is niet alleen
begaan met Marije. Ook andere mindervalide sporters kunnen op zijn steun
rekenen. Speciaal daarvoor is drie jaar geleden de Stichting Prolathic
in het leven geroepen. |